De koekenfabriek in Oudewater

Door: Otto Beaujon

In 1880 kochten Hendrik Willem en Johannes Verloop een stuk grond aan de West-IJsselkade in Oudewater, tussen de machinefabriek en het Franse garnizoen. Daar bouwden zij een grote olieslagerij, met tien tons molenstenen en zestien houten slagwerken, voor- en naslag, alles aangedreven met een stoommachine. Verloop had op dat moment al oliemolens in Jutphaas en Utrecht, en hij koos Oudewater voor zijn nieuwe fabriek, vanwege de ligging aan de Hollandse IJssel voor de aanvoer van lijnzaad (later kopra) uit de Rotterdamse haven, maar ook vanwege ‘goed werkvolk’ en afzetgebied voor veekoeken (wat er overbleef als de olie uit het zaad geperst was) in de wijde omtrek.

Niet alleen was de werkgever over het algemeen tevreden over de lossers, pakhuisknechten, voorlieden, maalbazen, persers, lappentrekkers, stokers, timmerlieden en bankwerkers, maar de werknemers zelf waren net zo tevreden met hun werk en hun loon: hele Oudewaterse families, hebben bij de koekenfabriek gewerkt. Namen als Van Achthoven, De Beer, Bode, Boele, Boere, Brouwer, Bunnik, Burger, Eisvogel, Geurts, Hart, Van den Heuvel, Van den Hoek, Van den Hoogen, Kamermans, Romeijn, Van Schaik, Sluis, Stekelenburg, Verkerk, Verkleij, Van Vliet en Van Zandwijk hebben er zelfs twee of drie generaties achtereen gewerkt. Wat meer is: sommige mensen bleven er hun hele leven. Bij hun 25-jarig jubileum kregen ze dan een gouden horloge met inscriptie, na 40 jaar een gouden horlogeketting (in de tijd van de zakhorloges), en een handvol mensen werkten er zelfs 50 jaar of langer (in de tijd dat er nog geen AOW was), met Henk van Lunteren die na 60 jaar werken (begonnen op zijn twaalfde) met zachte hand weggestuurd moest worden. Twaalf mensen van de werkvloer ontvingen een Koninklijke onderscheiding voor hun werk.

Werknemers_Koekenfabriek_Oudewater In 1930 werd het 50-jarig jubileum gevierd van M. Kamermans, die vanaf het eerste moment, dat wil zeggen: vanaf de bouw, bij de olieslagerij in dienst was geweest. De olieslagerij bestond op dat moment ook vijftig jaar, maar het feest gold jubilaris Kamermans, midden op de foto met echtgenote. Links van het jubilerend paar zit missionaris Kamermans, een familielid die mee mocht delen in de feestvreugde. Veel van de mensen op deze foto zijn ook te vinden op een eerdere foto van het voltallige personeel uit 1905, of een latere uit 1947.

Tijdens de eerste generatie Verloop (van 1880 tot 1912) beleefde de koekenfabriek een periode van grote voorspoed. Daarna (1912 – 1956) was er meer rampspoed dan voorspoed: de Eerste Wereldoorlog waarin de scheepvaart acuut stopte toen Duitse onderzeeërs de handelsvloot begonnen te torpederen. En vrijwel alle grondstoffen voor de olieslager kwamen uit landen overzee. In 1917 werden de olieslagers er op uit gestuurd om in Brabant heide te gaan maaien en in Drenthe kastanjes en eikels te rapen om er nog een soort veekoeken van te maken. Aan olie voor de industrie dacht niemand op dat moment, maar ze haalden wel scheepsladingen schillen van cacaobonen uit de Zaanstreek naar Oudewater omdat de vakmensen aan de slagwerken daar nog één procent spijsvet uit konden persen. Tijdens de crisis van de jaren ’30 draaide de fabriek door, maar jarenlang met verlies omdat er onvoldoende grondstoffen te krijgen waren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag de fabriek weer meestentijds stil. In 1956 verkocht directeur Herman Verloop, 74 jaar oud en bij gebrek aan opvolgers, de koekenfabriek aan Brinkers’ margarinefabrieken in Zoetermeer, die op dat moment de grootste klant van Verloop was.

Verloop heeft 75 jaar lang met regelmaat machinerieën vervangen door nieuwe en/of modernere. Zo werden aan het einde van de Eerste Wereldoorlog (er was toch niets te doen) de oude houten slagwerken gesloopt en vervangen door hydraulische persen. Voorman-timmerman Gerrit Stuart ging in 1948 met pensioen en vroeg of hij nog een jaar mocht blijven om een maquette te bouwen van de oude fabriek met de slagwerken, die hij nog had meegemaakt en die hij zich ‘technisch’ goed wist te herinneren. Het ene jaar werden er negen, maar het resultaat mocht er zijn: een werkend model van de oude fabriek met kollegangers (pletmolens), stoomverhitters, slagwerken, verkruimelaars en oliefilters. Alles van de juiste houtsoort (nokkenassen van eikenhout met nokken van buxus, lichters van grenen, stampers van eiken, tandwielen met een flens van grenen en tanden van hulst, traptreden van iepen, enzovoort). Het model stond aanvankelijk in het oude stadskantoor aan de Kapellestraat, en is na vele omzwervingen (o.a. Wulverhorst, Sikkens verfmuseum, Duinrell) terecht gekomen in de oliemolen De Passiebloem in Zwolle, waar het elke eerste zaterdag van de maand te bezichtigen is.

Brinkers pakte het in 1956 anders aan. Tot dusverre moest er telkens een afgemeten portie lijnzaad (raapzaad, koolzaad, kopra,) met de hand in een perstas of een perslaken verpakt worden en met twee man in de pers getild worden voor één veekoek en één portie olie. Op die manier was 75 jaar lang 300 ton zaad per week verwerkt tot 100 ton olie en 215 ton koeken (de 15 ton extra bestond uit water, om het zaad niet te laten verbranden tijdens het pletten, en om het smeuïg en verwerkbaar te houden).

Brinkers wilde toe naar een werkwijze waarbij de grondstof in één doorlopend procedé in een trechter gestort kon worden en er aan de ene kant olie uit de pers kwam en aan de andere kant volledig uitgeperste schilfertjes waar dan koeken of biks van gemaakt konden worden. Het machinepark met handbediende persen werd gaandeweg vervangen door steeds betere ‘Schneckenpresse’, zoals de Duitse fabrikant ze noemde: slakkenhuizen waarin de massa steeds verder in een steeds smallere trechter gewrongen wordt. Met minder mankracht kon de productie zo in de loop van vijftien jaar verdrievoudigd worden.

Koekenfabriek_OudewaterTot de fabriek in 1973 afbrandde: de vlammen sloegen boven de kerktoren uit, en de voorraadzolder met tweeduizend ton kopra bleef zeventien dagen branden en smeulen. Met de voortvarendheid van burgemeester Niek Mooyman was er evenwel binnen een week een nieuwe bouwvergunning. Na drie maanden (minder dan honderd dagen!) kon de fabriek opnieuw in gebruik genomen worden.

Directeur Gerard Brinkers werd door het personeel op handen gedragen: hij kon de zon in het water zien schijnen en zorgde goed voor zijn mensen. Elke werknemer kreeg bijvoorbeeld wekelijks bij zijn loonzakje twee pakjes margarine, en met Pinksteren kreeg iedereen 50 gulden extra (vakantiegeld bestond nog niet). Viel er iets te vieren dan deelde iedereen daarin mee. Toen Brinkers 100 jaar bestond, was er een groot feest voor alle werknemers, en kreeg iedereen een gouden tientje. De personeelsvereniging zorgde voor leuke uitjes en gezellige avonden, met Sinterklaas kreeg elk kind van de Brinkers familie een speculaaspop en de kerstpakketten van Brinkers waren legendarisch. In 1980 sloot de fabriek, omdat die in de loop van zijn honderdjarig bestaan te kleinschalig geworden was. Bovendien was er veel veranderd in de landen waar de kopra vandaan kwam: zelf daarginds uitpersen betekende werkgelegenheid en betere prijzen. Telde Nederland in 1880 meer dan 400 oliemolens en olieslagerijen, in 2014 zijn het er nog zes. Brinkers sloot een tijdperk af met, hoe kan het ook anders, een groot feest. Wie nog niet met pensioen kon, mocht in een andere Brinkers fabriek in Zoetermeer of in de Botlek komen werken, met goede sociale voorzieningen. De machines werden verkocht, en het fabrieksgebouw ging naar de buren: veevoederbedrijf Six. Inmiddels zijn de gebouwen gesloopt en ligt de grond al meer dan 15 jaar te wachten op een nieuwe bestemming.

 

3 gedachten over “De koekenfabriek in Oudewater”

  1. Ineke Bode-Stelling zegt:

    Waarom is mijn vader niet genoemd, hij is koninklijk onderscheiden en had middagdienst (van 14.00 tot 22.00 uur) toen de brand uitbrak een half jaar voor zijn pensionering. Hij was ook voorman van de ploeg.

  2. Dori Schoonderwoerd zegt:

    We hebben met veel genoegen en plezier je verhalen en aanvullingen van andere oudewaters gelezen. We gaan het boek oudewater 750 zeker aanschaffen. groeten van Dori en Wim.

  3. lenie kuipers zegt:

    Ik ben de oudste kleindochter van Gerrit Stuart
    heb als kind veel gelogeerd bij mijn opa en oma
    in Oudewater aan de Lange Burgwal
    Als ik mijn opa ophaalde bij de fabriek mocht ik altijd even in de werkplaats waar ik het hout rook waar hij mee werkte .
    Het maquette die hij gemaakt heeft is prachtig ik ben heel trots op
    mijn grootvader en ben heel blij dat het in de molen Passiebloem staat in Zwolle

Geef een reactie