Nettie Stoppelenburg; Geelbuik in hart en nieren

Door: Touwmuseum Oudewater

Kort geleden verscheen in de nieuwsbrief van het Touwmuseum een mooi verhaal over Nettie Stoppelenburg; Geelbuik in hart en nieren. De nieuwsbrief van het Touwmuseum is bedoeld voor ‘Vrienden van het Touwmuseum’ en er zijn vaak aardige verhalen in te vinden, maar dit verhaal wilden ze wel delen. Wellicht zelfs met het idee meer mensen ertoe te verleiden ook ‘Vriend van het Touwmuseum‘ te worden; en dat vinden wij, van Oudewater.net niet zo’n heel vreemd plan. Tenslotte is Oudewater voor een groot deel door de touwindustrie geworden zoals het nu is. En daar kunnen we nog heel regelmatig van genieten.

En voor dat Touwmuseum heeft onder andere Nettie Stoppelburg een cruciale rol gespeeld en dat doet ze nog; vandaar het onderstaand verhaal.

Nettie Stoppelenburg

Eigenlijk wilde ze voor archeoloog studeren. Voor haar uiteraard wel sneu dat dat er in verband met een ziekte niet meer in zat, maar heel Oudewater en het Touwmuseum in het bijzonder zijn er nu wel heel blij mee dat ze uiteindelijk afgestudeerd is in zowel archeologie als kunstgeschiedenis met heel veel bijvakken geschiedenis.

Heel veel studies en dus kennis

Om archeologie te gaan studeren moest Stoppelenburg beginnen met kunstgeschiedenis. Toen ze daarmee bezig was kreeg ze trombose en kon een baan als archeoloog vanwege het veldwerk wel vergeten. Daarom is ze toen ook voor kunstgeschiedenis afgestudeerd, mede omdat ze inmiddels zo’n grote hoeveelheid bij- en steunvakken gevolgd had dat ze dat op één bul niet meer kwijt kon. Voor geschiedenis was haar grote interesse de middeleeuwen. Daarbij hoorde ook paleografie (het bestuderen en ontcijferen van oude handschriften en archiefstukken) Voor kunstgeschiedenis, waar de Italiaanse Renaissance haar onderwerp was, volgde ze het bijvak Italiaans. En natuurlijk waren er nog de nodige collegereeksen op het gebied van archeologie.

Het Utrechts Archief

Na een betrekkelijk lange zoektocht naar een werkkring kwam ze terecht bij het Utrechts Archief. Zelf schrijven ze daar het volgende over: ” Het Utrechts Archief bewaart de geschiedenis van de provincie en de stad Utrecht. In onze collectie vindt u meer dan 29 kilometer archief en ruim een half miljoen foto’s, films, tekeningen, prenten en kaarten. We beheren bovendien de grootste bibliotheek over de stad en de provincie Utrecht. U kunt de Utrechtse geschiedenis bij ons ontdekken via onze website, in de studiezaal én in onze gratis tentoonstellingen.” Tja, dan heb je ongetwijfeld handen vol werk. In eerste instantie waren het de afdelingen ‘beeldmateriaal’, ‘educatie’ en ‘communicatie’ waar ze actief was; nu heeft ze zich beperkt tot ‘educatie’, maar dan wel van basisschool tot en met studenten. Die laatsten moeten bijvoorbeeld leren hoe je goed in een archief moet zoeken, want er is ontzettend veel te vinden dat nog steeds niet uitgebreid is onderzocht.

Touwmuseum in beeld

Inmiddels staan er door haar werkzaamheden al behoorlijk veel publicaties op haar naam. Aanvankelijk over Utrecht; zo heeft ze een flink aantal artikelen geschreven voor diverse uitgaven van Oud-Utrecht en later ook in verband met activiteiten voor het Stadsmuseum Woerden, de Geschiedkundige Vereniging Oudewater en natuurlijk voor het Touwmuseum in Oudewater waarbij Nettie Stoppelenburg sinds de start actief betrokken was en nog steeds is.

oudewater_2015_04_01-opening-touwmuseum-aad-kuiper

“Dat Touwmuseum werd een grote fascinatie,” vertelt ze, waarbij bijvoorbeeld alles wat met gilden te maken had naar boven kwam. “Het eerste onderzoek was vrij algemeen en vluchtig, maar hoe dieper je graaft, hoe leuker de vondsten zijn.” Ze ging met oude kaarten op stap op zoek naar oude hennepveldjes en schreef een serie ‘touw-verhalen’ voor de IJsselbode. Maar niet alleen daarover; ook over Van Kinschot, over de patriotten met Jan Boog en Justus Montijn en over het Gasthuis – dat eerder toebehoorde aan een Augustinesser klooster, dat al in 1419 voorkomt in de geschiedschrijving en over nog veel meer. Naast artikelen voor het Touwmuseum werden ook steeds meer zaken over Oudewater op papier vastgelegd.

1672; het Rampjaar

Hoewel Stoppelenburg zich dus eigenlijk specialiseerde in de middeleeuwen ligt haar huidige onderzoeksgebied veel meer in de nieuwe tijd. Een periode die op dit moment haar bijzondere aandacht heeft is 1672, het Rampjaar. “Hoe hebben de burgers dat beleefd? Niet zo goed lijkt het wel, want tijdens de Franse bezetting mochten de lijndraaiers niet aan het werk, werden paarden in de schuren gestald, kwamen er heel veel vluchtelingen van buiten en verspreidde zich een besmettelijke ziekte – wellicht vlektyfus. In Hekendorp moesten de boeren de boerderijen afbreken voor vestingwerken. En dan was er nog de storm in 1674 die in Oudewater nauwelijks schade aanrichtte, maar in Hekendorp des te meer; daar gingen molens tegen de vlakte. En de Hekendorpers moesten ook nog eens belasting betalen over de boerderijen die ze allang niet meer hadden.”

Nettie Stoppelenburg vertelt gedreven en boeiend én, omdat er nu geen specifiek thema wordt aangesneden, komen we van het ene onderwerp op het andere; want ze weet veel, heel veel en wil haar kennis graag met anderen delen. Maar we gaan weer terug naar het Touwmuseum. Bij de aanvang werd er een rapport geschreven door Harm Hoogendoorn, toen Marianne Ruigrok nog burgemeester was. Zíj heeft op een gegeven moment aan Nettie Stoppelenburg gevraagd het af te maken, want veel geld was er niet. Dat deed ze; en termen als ‘Resoluties van de magistraat’ en ‘Resoluties van de raad’ kwamen voorbij, evenals de gildenbeurs, lijndraaiersknechten met daaraan gekoppeld het weeshuis en het armenhuis die beide ook iets met de mensen in Oudewater en dus vooral met de touwfabricage te maken hadden. Ze is nog steeds enorm actief betrokken bij het Touwmuseum; de inmiddels befaamde ‘talking heads’ bijvoorbeeld waar je de onder andere Gijsbert van der Lee hoort en ziet praten over zijn betrokkenheid met touw zijn door haar van tekst voorzien. Mooi hoor!

Nog zoveel te doen

En ze heeft nog zo veel te doen, Nettie Stoppelenburg: hoe zit dat nou met de ‘Klepper’, waren dat twee of drie panden; het boekje over het museum moet herdrukt worden; ze wil nog naar Den Haag – want er moet nog zo veel onderzocht worden; ze wil nog schrijven over Tappersheul bijvoorbeeld – waar Leentje Willems vandaan komt; ze wil nog onderzoek doen naar de Machinefabriek en naar de vestingwerken. Ze meent dat ze pas tien procent gezien heeft van wat er allemaal is … en ík heb slechts tien procent opgeschreven van wat ze me allemaal vertelde; gedreven en boeiend, getuigend van een enorme kennis.

Ze eindigt overigens met een groots compliment aan het Archief in Woerden: daar houden ze alles goed bij, daar is alles goed geïnventariseerd en er wordt veel voor bezoekers gedaan: “En toen ik er een keer kwam om het archief van de Machinefabriek te onderzoeken, vroegen ze me even te wachten, want dan zouden zij eerst een inventaris samenstellen van die 20 meter archief.” En zo kon en kan ze weer verder met onderzoeken en opschrijven zodat we allemaal wat meer te weten komen over Oudewater in het algemeen en over touw voor informatie in het Touwmuseum in het bijzonder.

Geef een reactie