4 mei toespraak burgemeester Pieter Verhoeve

‘Via dolorosa’

Wat doe je als moeder als er geen eten meer in huis is? Je kinderen zijn uitgemergeld van de honger. Echt van de honger. Wat dan?

Hermans Brans, u staat hier naast mij, was zeven jaar oud in de Hongerwinter. Zeg groep vier van de basisschool. Bij u thuis was er toen nauwelijks nog eten. Ook al omdat uw vader stiekem thuis was. Ondergedoken.

dodenherdenking-04-05-2017-herman-bransMeneer Brans, u komt uit een groot, katholiek gezin. Negen kinderen. Op 11 november 1944 was er een razzia. U weet het nóg. Tijdens een gesprek met mij zei u: ‘Jonge mannen moesten in de oorlog met de Duitsers mee. Werken in fabrieken. Veel Duitse mannen waren immers soldaat. Ook mijn vader kreeg een brief. Opeens stonden ze in de straat. Politieagenten met helmen. 2 mitrailleurs. Voor- en achteraan de straat. Machtsvertoon. Alle jongen mannen moesten mee.’

‘Mijn vader en mijn broer Theo hadden zich tijdig verstopt in de kerk. De Hillegondakerk in Rotterdam-Noord. Ze zaten boven de gewelven. De hoofdzuster van het Bergwegziekenhuis gaf ze enkele dagen te eten.’

Nadat de razzia voorbij was, kwam vader thuis. Hij moest maanden lang verstoppertje spelen voor de Duitsers. Anders moest hij alsnog mee. Het was een koude winter, die van 1944 tot 1945. Het gas was afgesloten. Er was geen elektriciteit. Thuis brandde een noodkacheltje. Moeder was in verwachting van de achtste. Er was niets te koop. De winkels waren leeg. Het voedsel dat er nog was, werd verdeeld via bonnen. Voedselbonnen. Urenlang moest u wachten bij de gaarkeuken voor een beetje voedsel. Zeven jaar oud.

Een broer en zus van u, Annie en Henk, zeiden tegen uw ouders. ‘Wij willen proberen om lopend naar de IJssel te komen. In het Noorden van het land is niet zo’n honger.’ Zo gingen ze op weg. Lopend. 12 en 14 jaar oud. Uw moeder schreef later in haar persoonlijke notities. ‘Als je dit leest, zou je denken. Wat een ontaarde vader en moeder! Maar ze waren niet de enige kinderen. De honger dreef hen de deur uit. Lopend en bedelend bij de boeren probeerden ze aan eten te komen. Het waren er duizenden die zo op weg gingen…’

Kort daarna vroeg uw tante, met twee nichten, of u en Theo ook niet op voedseltocht zouden gaan. Theo uw broer had eigenlijk geen zin. Theo was een zorgzame, artistieke jongen. Hij kon goed tekenen. Was reclame-schilder. Uw ouders drongen toch aan. Ze zeiden: ‘Ja jongen, zo ga je ook dood. Als je in het Noorden bent, heb je te eten.’ Toen zei hij: ‘Ja, ik doe het toch maar.’ U mocht mee. Voor het eerst.

Uw moeder schreef : ‘Je denkt wel eens. Of eigenlijk altijd. Hadden wij de kinderen maar niet laten gaan. Maar wij waren de enigen niet die dat deden. En als je de kinderen zo ziet verhongeren, dan weet je niet hoe het dan moet. De mens wikt en God beschikt. De mens kan geen el aan zijn leven toevoegen.’

Zo vertrokken jullie. Zaterdagmorgen 24 februari om zes uur ’s morgens. Met zijn vieren. Goed warm aangekleed. ‘Ik zie mijn ouders ons nog uitzwaaien’, vertelde u. Uw broer zei tegen moeder: ‘Ik zal goed voor Herman zorgen.’ en zo sloten jullie je aan bij de lange, grauwe stoet ‘etenhalers’. Lopend vanuit Rotterdam. Naar Utrecht. Naar het Noorden.

Jullie kwamen niet verder dan Amersfoort. De Duitsers lieten niemand meer door. Jullie moesten terug. Hongerig. Koud. Moedeloos. U broer sleepte u er doorheen. Hij zei: ‘Herman, zie je in de verte die kerktoren. Dan zijn we er bijna. En als jullie daar dan waren, stootte hij u aan. Zie je daar die boerderij. Dan zijn we er bijna.’ Op die manier sprak hij u moed in.

Theo was een gelovige jongen. Eind februari was het vastentijd. Voorbereiding op Pasen. Theo had die woensdag net zijn askruisje gehaald en gekregen. U vertelde: ‘hij deed alsof we de Kruisweg van Jezus zelf liepen. De via dolorosa. De weg van het lijden. Bij iedere boerderij bad hij een statie. Een gebed.’

Zo naderden jullie op dinsdagmiddag 27 februari Oudewater. Nog dertig kilometer te gaan. Dan eindelijk thuis in Rotterdam. Maar bij Willeskop gebeurde er iets vreselijks.

Ter hoogte van de Oudeweg verschenen opeens Engelse vliegtuigen in de lucht. Vier jachtvliegtuigen. Spiedend naar alles wat bewoog. Ze wilden voorkomen dat de Duitsers hun legers zouden versterken. Net reden er twee vrachtwagens over de weg. De chauffeurs zetten hun wagens stil en sprongen de slootkant in. De piloten hadden de trucks ontdekt. Snel schoten ze met hun mitrailleurs. Vlogen over. En kwamen drie, vier keer terug. Iedere keer knalden ze met een oorverdovend en vernietigend salvo op de vrachtwagens.

Antoon Snoek zag het allemaal gebeuren. Misschien kent u hem wel. Antoon Snoek woont nog steeds aan de Oudeweg. Hij is inmiddels op hoge leeftijd, 89 jaar. Toen was hij een jaar of zestien. Hij vertelde me: ‘Het was die dag fris en mooi weer. Ik had mest weggebracht met een platbodem. Rustig voer ik terug naar huis. Opeens waren er vliegtuigen. Ik schrok daar niet van. Iedere dag vlogen er militaire vliegtuigen. Ik heb ze wel gezien met zo’n gat in de vleugels. Deze echter maakten een draai. Ze vlogen zo laag, het leek wel of ze gingen landen. Toen kwam de knallen. Een vlammenzee op de weg. Ik drukte me weg in de slootkant. Een hulzenregen kwam over me heen. Er werd wel vijftien keer geschoten.’

Uw broer Theo sprong bovenop u. Liggen! Schreeuwde hij. Daarmee werd u best veilig afgeschermd. Toch lagen jullie te dicht in de buurt van de vrachtwagens. Tijdens de beschietingen vloog een granaatscherf tegen Theo zijn been. Zijn kuit was helemaal weggerukt. Het bloedde enorm.

Als de vliegtuigen weg zijn, komt er een boerenzoon aangevaren. Antoon Snoek. ‘Ik zal dit beeld nooit vergeten. Die bloedende jongen, met zijn huilende broertje er naast. Op de weg een kinderwagen. De weg bezaaid met graszoden, hulzen en rokend asfalt.’

Met een dik touw werd het bloedende been afgebonden. Op de boerderij werden de wonden verzorgd met sodawater. De dokter en de priester werden gehaald. Het duurde twee uur voor ze er waren. De priester zag wel dat de situatie zeer ernstig was. ‘Theo, vind je het erg om te sterven. Ja, zei Theo, een beetje wel.’ Theo kon worden vervoerd met een kar naar het ziekenhuis in Oudewater. Lopend. Met een draagbaar. Ambulance of telefoon was er niet.

U ging mee naar het ziekenhuis. Moest wachten op de gang. Het ging bergafwaarts met uw broer. ‘Zullen we z’n broertje erbij halen’ zie iemand. ‘Nee, laten we dat niet doen.’ De geestelijke vroeg. ‘Theo, ben je nu bang om te sterven? Nee, nu niet meer. Doe de groeten aan vader en moeder. Wens ze sterkte.’ Hij zij ook nog: ‘het wordt zo donker.’ En hij was niet meer.

Wat een verhaal. Het heeft uw leven getekend. Theo gaf zijn leven voor u. Op zijn ‘via dolorosa’. Petrus Theodorus Brans. 16 jaar. Een van de jongste van de 65 oorlogsslachtoffers die zijn gebeiteld in het monument hierachter mij. Een van de 50 miljoen slachtoffers die viel tijdens de Tweede Wereldoorlog. Opdat wij niet vergeten!

Het blijft van immense waarde vanavond te herdenken. Om deze verhalen te delen. Te vertellen aan de nieuwe generaties. Daarom zullen ook vanavond jonge mensen voor het eerst de graven adopteren van de burgerslachtoffers die toen vielen en hier begraven liggen. Adopteren door er kort achter te staan.

Tussen 1940 en 1945 was er vijf jaar bezetting. Nu is er 72 jaar vrijheid. We leven in ongekende voorspoed. We kunnen ons druk maken over de vraag of Feyenoord kampioen wordt. We kunnen ons bezig houden met de plek van onze volkstuin. We kunnen bezig zijn met het plannen van onze vakantie. En dat mag. Het zijn begrijpelijke vragen. En tegelijkertijd mogen we ons realiseren dat vrede en vrijheid allerminst vanzelfsprekend zijn. Een gave en opgave die te behouden. Veel van onze dagdagelijkse vragen mogen we op een moment als nu ook wat relativeren. Onze vrijheid te koesteren. Dierbaren wat dieper in de ogen te kijken. En zeggen: ‘Wat houd ik van je.’

75 jaar geleden werden de Joden verplicht een gele ster te dragen. Zo ook bij Michel Velleman. Zijn artiestennaam was Ben Ali Libi. Hij was een artiest, haalde toverkunsten uit. De Hans Klok van zijn tijd. In 1937 had hij nog in Oudewater voor onze brandweer een optreden gegeven omdat het korps 25 jaar bestond. In 1943 werd hij in Sobibor vermoord. Willem Wilmink maakte een indrukwekkend gedicht over hem. Ik citeer slechts een stukje.

In ’t concentratiekamp heeft hij misschien
zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien
met een lach en een smoes, een misleidend gebaar
Ben Ali Libi, de goochelaar
En altijd als ik een schreeuwer zie
met een alternatief voor de democratie
denk ik: in jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar

Radio 3 nieuwslezer en inwoner van Oudewater, Biem Buijs zal het gedicht straks in zijn geheel voorlezen. Hartinnemend en beklemmend actueel.

Op een paar uur vliegen is het nog steeds oorlog. Syrië. Mali. Zuid-Sudan. Nog steeds vechten mannen en vrouwen wereldwijd voor vrijheid. Ik ben er trots op dat veteranen steeds meer de erkenning krijgen die hen toekomt. Sinds kort is er een Stichting Veteranen Lopikerwaard. Vanavond zijn ze ook aanwezig. Weet u zich herkend en erkend!

Tot slot richt ik me nog één keer naar u. Meneer Brans. Dank, dat u en diverse familieleden hier vanavond zijn. Niet voor het eerst. Al jaren komt u helemaal vanuit Doetinchem naar deze herdenking. U legt bloemen neer in Willeskop. Om uw broer te eren. U vroeg mij of ik het verhaal wilde vertellen. U bent er nog steeds heel verdrietig van.

Toen uw ouders hoorden dat Theo was overleden, is uw vader naar Oudewater gefietst. De pater vertelde: ‘wat heeft u een prachtzoon gehad. Hij is in de volle overtuiging van zijn geloof gestorven.’ Uw vader raakte echter wel zijn zoon kwijt. De NSB-burgemeester van Oudewater gaf toestemming om het lichaam met een paardenkar naar Rotterdam te vervoeren. Daar is hij begraven.

5 mei 1945 brak de bevrijding aan. Uw moeder ging pannenkoeken maken. Want toen het zo’n vreselijke honger was, zei Theo. ‘Moe. Als het nu vrede is, bakt u dan een heleboel pannenkoeken?’ Ze zei: ‘Ja, jongen, hele stapels.’

En ze bakte pannenkoeken. Hele stapels. ‘Maar de tranen liepen in het beslag’, noteerde ze later. Het gezin werd gelukkig verenigd. Maar tegenover uw moeder was altijd een lege stoel.

Een verhaal om niet te vergeten. Om door te vertellen. Om stil van te worden.

Zoals Leo Vroman dichtte:
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaal ze honderd malen
alle malen zal ik wenen

Bron: Gemeente Oudewater | 5 mei 2017
Tekst: burgemeester Pieter Verhoeve
| Foto’s: Corrie van der Heiden

Geef een reactie